Jurisprudentie: Hof beoordeelt schadeposten bij werkgeversaansprakelijkheid

9 april 2015 Bedrijfsongeval

man op trap op auto. Bedrijfsongeval

Jurisprudentie: Hof beoordeelt schadeposten bij werkgeversaansprakelijkheid

De kijk van JBL&G op de betekenis van de uitspraak van 31-03-2015 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: Werkgeversaansprakelijkheid (ECLI:NL:GHARL:2015:2350).

De feiten op een rijtje:

  • Op 12 augustus 1991 is de vrouw in loondienst getreden bij de werkgever.
  • Zij werkte als productiemedewerkster op de afdeling snijden en verpakken bij werkgever.
  • De vrouw was door ziekte genoodzaakt om op 23 september 2002 haar werkzaamheden bij haar werkgever stop te zetten.
  • Per 1 februari 2003 is haar arbeidsovereenkomst daadwerkelijk door de kantonrechter ontbonden.
  • Ze kreeg een vergoeding van € 35.000 mee.

Werkgever aansprakelijk gesteld

Thans heeft zij verschillende uitkeringen op grond van ZW, WW en WAO. Omstreeks januari 2006 is de vrouw wederom gaan werken, alleen dan in de functie schoonmaakster voor een schoonmaakbedrijf. Ook voor deze werkzaamheden is zij per 1 december 2008 definitief uitgevallen. In verband met haar klachten heeft ze meerdere operaties ondergaan wegens Carpaal Tunnel Syndroom aan haar beide polsen. Door haar diverse klachten heeft zij besloten om haar werkgever aansprakelijk te stellen op grond van artikel 7:658 BW. Zij zou namelijk RSI hebben opgelopen tijdens haar werkzaamheden als productiemedewerkster.

Werkgeversaansprakelijkheid aangenomen

Bij arrest van 8 april 2008 heeft het toenmalige Gerechtshof Arnhem de aansprakelijkheid van de werkgever aangenomen wegens gebrek van tegenbewijs aan de kant van de werkgever. Tot nu toe heeft ze een bedrag ontvangen van € 25.000. In deze procedure vordert ze nog meer vergoeding voor haar volledige schade. Deels worden deze vorderingen door de rechtbank toegewezen. Tegen dit vonnis heeft ze hoger beroep ingesteld en haar eis vermeerderd.

Oordeel van het Hof

Het Hof loopt in deze uitspraak verschillende schadeposten na, namelijk:

  1. verlies aan arbeidsvermogen
  2. rekenrente
  3. kosten van huishoudelijke hulp
  4. verlies van zelfredzaamheid

1. Verlies aan arbeidsvermogen

De Rechtbank is bij de begroting van het verlies aan arbeidsvermogen uitgegaan van een eindleeftijd van 65 jaar. Volgens de vrouw moet er echter worden uitgegaan van een eindleeftijd van 67 jaar, omdat in de hypothetische situatie zonder ziekte (RSI) zij zou hebben gewerkt tot 67 jaar. Dit zou dan ook haar pensioengerechtigde leeftijd zijn. Het Hof is van mening dat in beginsel, in de hypothetische situatie, ervan mag worden uitgegaan dat een werknemer tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd blijft werken. Het Hof volgt daarbij de maatschappelijke ontwikkelingen. Die er op neerkomen dat ouderen langer gezond en maatschappelijk actief blijven. Het Hof volgt het standpunt van de vrouw.

2. Rekenrente

Het Hof oordeelt dat voor berekening van de schade tot 1 januari 2018 uitgegaan moet worden van een rekenrente van 1% in plaats van de gangbare 3%, omdat 1% aansluit bij de huidige spaarrente op een spaardeposito en de huidige inflatie.

3. Kosten van huishoudelijke hulp en verlies zelfredzaamheid

Voor begroting van deze kosten heeft de Rechtbank volgens het Hof terecht gebruik gemaakt van de Richtlijn van de Letselschaderaad, te weten de Richtlijn Huishoudelijke Hulp. Beide richtlijnen bevatten normbedragen voor de kosten van onderhoudswerkzaamheden aan eigen woning en tuin en van huishoudelijke hulp, waarbij gedifferentieerd wordt naar het soort woning en voor wat betreft de huishoudelijke hulp naar de gezinssituatie van de benadeelde. Ook wordt er gedifferentieerd naar de beperking van de benadeelde. Het Hof is niet gebonden aan de genoemde Richtlijnen. Deze Richtlijnen worden echter wel breed toegepast in de letselschadepraktijk en fungeren op z’n minst genomen als oriëntatiepunt of zelfs als uitgangspunt.

4. Abstracte schadevergoeding mogelijk

Voor de begroting van deze kosten moet er allereerst worden vastgesteld wat de behoefte van de vrouw is aan huishoudelijke hulp en hulp bij onderhoud van haar huis en tuin. Als dit eenmaal is vastgesteld, dient er vervolgens te worden vastgesteld welke kosten hiermee gemoeid zijn. De vrouw opteert een abstracte schadevergoeding. Dit is volgens het Hof mogelijk.

Uit de jurisprudentie (Hoge Raad ECLI:NL:HR:2008:BE998) volgt namelijk dat bij de begroting van de schade vanwege huishoudelijke hulp en verlies zelfredzaamheid kan worden geabstraheerd van de omstandigheid dat de benadeelde die de hulp heeft geboden geen vergoeding heeft betaald. Maar dat betekent niet dat er kan worden geabstraheerd van de omstandigheid dat de hulp in het geheel niet is geboden. Als er in het geheel geen hulp is geboden, is een abstract berekende vergoeding voor de hulp niet aan de orde.

Gebrek aan huishoudelijke hulp onder smartengeld?

Wél zou deze omstandigheid bij de begroting van het smartengeld in aanmerking kunnen komen. Omdat niet onaannemelijk is dat er leed wordt toegevoegd aan de benadeelde indien door letsel taken niet meer zouden kunnen worden uitgevoerd. In dit geval gaat het om het niet meer kunnen bijhouden van het huis en de tuin. Tevens kan er door het vertraagd tot stand komen of achterwege blijven van een adequate voorschotregeling ook geen hulp worden ingeschakeld. In dit geval is dit niet aan de orde omdat er geen grief gericht is tegen het door de Rechtbank toegewezen smartengeldbedrag.

De vrouw stelt dat haar hulpbehoefte 12.25 uur per week gedurende 52 weken per jaar is, ze kan zelf maar 25% van het huishoudelijke werk zelf verrichten. Dit is door het Hof bestreden. Voor de begroting van de schade vanwege kosten aan huishoudelijke hulp is niet bepalend of de vrouw nog in staat is ook zoveel tijd per dag aan huishoudelijk werk te besteden, maar hoeveel uur per week zij nodig heeft om het huishoudelijke werk te verrichten dat zij voor de beroepsziekte zelf verrichtte en als gevolg voor haar beperkingen niet meer kan verrichten.

Concreet moet voor de huishoudelijke hulp uitgegaan worden van zes uur per week, nu vast is komen te staan dan de werkneemster zes uur per week hulp ontvangt en zij onvoldoende heeft onderbouwd dat zij meer hulp nodig heeft.

Deskundigenonderzoek noodzakelijk

Er zijn nadere gegevens nodig over de belastbaarheid van de vrouw als het gaat om het verlies van zelfredzaamheid. Volgens het Hof is er hiervoor een deskundigenonderzoek nodig omdat de partijen van mening verschillen over de omvang van het onderhoud. Het gaat hierbij om de vraag of de vrouw zelf in staat is een deel van het onderhoud zelf te verrichten. Het gaat om schilderwerk en tuinonderhoud. Beide partijen krijgen de gelegenheid zich hierover uit te laten.

Terug naar overzicht

Gratis

Gratis

De juristen van JBL&G werken altijd gratis voor slachtoffers met letsel. Hiervan ontvangt u vooraf een schriftelijke verklaring.

Bij u in de buurt

Bij u in de buurt

Het hoofdkantoor van JBL&G zit in Amsterdam, maar onze juristen werken door heel Nederland. Zij komen graag bij u langs.

Keurmerk

Keurmerk

JBL&G staat ingeschreven in het Register Letselschade. Dit keurmerk staat garant voor onafhankelijkheid en kwaliteit.

Ervaring

Ervaring

Door 15 jaar ervaring bent u met de hulp van JBL&G verzekerd van de maximale schadevergoeding en krijgt u snel een uitbetaling.