Juridisch Bureau Letselschade & Gezondheidsrecht

Juridisch Bureau Letselschade & Gezondheidsrecht

Tijd is geld? Het verlies van vrije tijd in het licht van de schadebeperkingsplicht

Winnaar JBL&G Scriptieprijs 2018

Tijd is geld? Het verlies van vrije tijd in het licht van de schadebeperkingsplicht (Samenvatting)*

Mensen die door een ongeval of een medische fout letsel hebben opgelopen moeten vrijwel altijd investeren in hun herstel. Zij moeten bijvoorbeeld medische of fysiotherapeutische behandelingen ondergaan. Soms is het opgelopen letsel na enkele weken of maanden genezen, maar het komt ook voor dat mensen levenslang tijd moeten besteden aan hun herstel, het op peil houden van hun gezondheidssituatie of het leven met beperkingen. Ook juridisch gezien is het belangrijk dat een slachtoffer tijd investeert in zijn herstel. Als hij zich onvoldoende inzet, zal hij immers niet voldoen aan zijn zogenoemde schadebeperkingsplicht. Het gevolg daarvan is dat het slachtoffer zijn recht op volledige schadevergoeding verliest.

De letselschadepraktijk kent geen vergoeding voor het verlies van de (meestal vrije) tijd als gevolg van schadebeperkend handelen. Uitgangspunt van deze scriptie is dat dit onterecht is. Argumenten die hiervoor pleiten zijn het feit dat een letselschadeslachtoffer in beginsel recht heeft op vergoeding van al zijn schade en dat de tijdsinvestering van het slachtoffer ervoor zorgt dat de schade en derhalve de vergoedingsverplichting van de aansprakelijke partij worden gedrukt. Daarnaast kan gewezen worden op het feit dat tijd in de huidige maatschappelijke opvattingen als een schaars goed wordt gezien (‘tijd is geld’). Hoewel consensus over de waarde van vrije tijd ontbreekt, staat wel vast dat vrije tijd waarde heeft. De argumenten die pleiten tegen vergoeding wegen niet op tegen de voorargumenten, maar kunnen wel een rol spelen bij de afbakening van het recht op vergoeding.

Juridisch gezien werpen zich enkele belangrijke vragen op als men overgaat tot vergoeding. Deze vragen zijn van belang voor de uiteindelijke begroting van de schadepost. Beantwoording hiervan is niet gemakkelijk, nu dit onderwerp in de literatuur en rechtspraak onderbelicht is gebleven en het verlies van vrije tijd ook niet als een “klassieke” schadepost kan worden beschouwd. Een eerste vraag is of het verlies van vrije tijd moet worden aangemerkt als vermogensschade of als immateriële schade. In het kader van vermogensschade kan bijvoorbeeld aansluiting gezocht worden bij de concepten van bereddingskosten (de kosten die worden gemaakt ter beperking of voorkoming van schade) of verplaatste schade (kosten van derden die, als het slachtoffer ze zelf zou hebben gemaakt, voor vergoeding in aanmerking komen). Als men het verlies van vrije tijd meer als iets in de morele sfeer beschouwt, kan aansluiting gezocht worden bij het leerstuk waarin schendingen van fundamentele rechten als persoonsaantastingen worden aangemerkt. Gezegd kan worden dat het verlies van vrije tijd een inbreuk op het zelfbeschikkingsrecht van het slachtoffer is, aangezien hij zijn vrije tijd niet naar eigen inzicht heeft kunnen indelen en hij deze tijd op geen enkele wijze kan terugkrijgen.

Ook voor de vraag naar de begroting van de schadepost verlies van vrije tijd zijn nog maar weinig aanknopingspunten te vinden. Allereerst zal duidelijk moeten worden onder welke voorwaarden het recht op vergoeding bestaat. Bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling zijn enkele afbakeningen gewenst. Vergoeding van deze schadepost leidt immers tot een uitbreiding van het schadevergoedingsrecht, met onder meer een groeiende aansprakelijkheidslast en duurdere aansprakelijkheidsverzekeringen tot gevolg. Een begrenzing kan inhouden dat sprake moet zijn van een zaak met gevolgen van een zekere ernst; er moet een bepaalde hoeveelheid vrije tijd verloren zijn gegaan. Er kan bijvoorbeeld een “urendrempel” worden ingesteld.

Bovendien zal overeenstemming moeten worden bereikt over de wijze van begroting. Dit ziet vooral op de mate waarin van de omstandigheden van het geval wordt geabstraheerd. Hoewel de waarde van vrije tijd niet voor iedereen gelijk is, pleiten efficiëntieargumenten voor het hanteren van een algemene norm. Daarnaast moet worden bepaald hoe concreet het aantal verloren uren vrije tijd moet meewegen. Het is mogelijk een methode te ontwikkelen met een beperkt aantal vergoedingsbedragen, zoals is gedaan bij de Wet Affectieschade. Ook is het mogelijk een vergoeding te bieden voor elk verloren uur. Om tegemoet te komen aan de voor- en nadelen van beide methoden, kan gezocht worden naar een middenweg. Een voorbeeld hiervan is een puntensysteem dat werkt met een gemiddeld tijdsbestek per activiteit. Elke activiteit vertegenwoordigt een bepaalde hoeveelheid punten, die weer een bepaalde waarde vertegenwoordigt. Wel moet een mogelijkheid tot een billijkheidscorrectie worden toegevoegd, zodat persoonlijke omstandigheden van een slachtoffer kunnen worden meegewogen.

Tot slot resteert de vraag naar de daadwerkelijke waarde van vrije tijd. Visscher heeft zich als enige juridische auteur hierover uitgelaten. Hij stelt voor de QALY-methode uit de gezondheidseconomie te gebruiken, hetgeen resulteert in een uurbedrag van €2,50. Onder verwijzing naar het minimum uurloon en de in de letselschadepraktijk gebruikte richtlijn voor huishoudelijke hulp kan ook een bedrag van €10,- per uur als “prijskaartje” worden genoemd. De totale vergoeding van vrije tijdsschade kan door het instellen van maximumbedragen worden beperkt. Beslissend kan bijvoorbeeld zijn wat de omvang van de schade was geweest indien het slachtoffer niet schadebeperkend had gehandeld.

Geconcludeerd moet worden dat de vragen naar de kwalificatie en de begroting van het verlies van vrije tijd van het slachtoffer met letsel niet gemakkelijk te beantwoorden zijn. De suggesties die door de auteur zijn gedaan en de vele openstaande vragen maken nadere discussie in de literatuur gewenst. Uiteindelijk is het aan brancheorganisaties of de rechtspraak om de gewenste koers uit te zetten. Wat de auteur betreft moet vooral acht worden geslagen op de belangen en rechten van slachtoffers en is het moment daar dat ook in het schadevergoedingsrecht tijd geld is.

Laura Kroese

*De volledige versie van de scriptie kunt u hier lezen.

icon-free

Gratis

De juristen van JBL&G werken altijd gratis voor slachtoffers met letsel. Hiervan ontvangt u vooraf een schriftelijke verklaring.

icon-near

Bij u in de buurt

Het hoofdkantoor van JBL&G zit in Amsterdam, maar onze juristen werken door heel Nederland. Zij komen graag bij u langs.

Keurmerk

JBL&G staat ingeschreven in het Register Letselschade. Dit keurmerk staat garant voor onafhankelijkheid en kwaliteit.

icon-experienced

Ervaring

Door 15 jaar ervaring bent u met de hulp van JBL&G verzekerd van de maximale schadevergoeding en krijgt u snel een uitbetaling.